|

















|

Demonische kwellingen
Wanneer Ida 18 of 19 jaar is,
besluit ze op het kantoor te gaan werken van een parfumfabriek in Amsterdam, waar zij
jarenlang gebleven is. Haar collegas mogen haar graag vanwege haar lieve en
bescheiden karakter. Het knappe meisje heeft veel bewonderaars maar voelt zich niet tot
het huwelijk geroepen. In deze tijd heeft Ida steeds meer te lijden van demonische
aanvallen. Ook nu nog herinnert Heleen, de dochter van Idas broer Piet, zich heel
precies wat er in de familiekring allemaal verteld werd over de tijd waarin zij zoveel te
lijden had van demonische kwellingen.
Tijdens een wandeling door de stad wordt Idas aandacht getrokken door een man. Hij
is net als een priester helemaal in het zwart gekleed. Zijn akelige doordringende blik
beangstigt haar. Ze probeert hem te ontwijken en versnelt haar pas. Haar achtervolger is
echter sneller, pakt haar hard bij de arm en probeert haar de gracht in te sleuren om haar
te verdrinken. In dit levensgevaarlijke ogenblik hoort Ida een zachte stem die haar
geruststelt en hulp belooft. Op hetzelfde moment laat de zwarte figuur haar met een
afschuwelijke kreet los en verdwijnt spoorloos. Daarop geeft vader aan Gesina de opdracht
om haar jongste zusje elke dag naar haar werk te brengen en s avonds weer af te
halen.
Maar opnieuw ontmoeten zij deze sinistere persoon. Hij laat een koude lach horen maar
durft Ida niet aan te raken. Nog een derde keer wordt het 20-jarige meisje benaderd door
de duivel. Dit keer probeert hij haar op geraffineerde wijze te betrekken in een dodelijk
ongeval. Hij doet zich voor als een hulpbehoevende oude vrouw die beweert Ida van de kerk
te kennen. Ze noemt het meisje een adres en nodigt haar uit gauw eens langs te komen. Ida
slaat dit af maar stemt in om haar althans naar de overkant van de straat te begeleiden.
Een verlammende angst overvalt haar wanneer haar arm midden op de straat opnieuw als door
een klauw in een ijzeren greep wordt genomen. Ze slaakt een kreet en weg is satan. Hij
heeft haar recht voor een naderende tram getrokken, die maar net op tijd kan stoppen. Het
scheelde maar een haar of Ida zou overreden zijn. Wanneer haar broer Piet met zijn
aanstaande zwager op zoek gaat naar het adres dat door de oude vrouw is opgegeven, treft
hij slechts een oud, leeg huis aan.
Pater Frehe was Idas biechtvader en geestelijk leidsman. Allesbehalve lichtgelovig,
was hij persoonlijk ten diepste overtuigd van de echtheid van de boodschappen.
Als theologisch geschoold dominicaan onderwierp hij de door de zieneres overgebrachte
schouwingen en woorden van de Vrouwe aan een uiterst nauwkeurig onderzoek.
Als toegewijd en onbaatzuchtig zielzorger was hij tegenover iedereen mild en goed. Echt
streng was hij alleen voor zichzelf en wanneer het de zaak van de Vrouwe van alle
Volkeren betrof voor de zieneres.
Demonische krachten belagen het gezin
Ook thuis wordt Ida hevig door demonen belaagd en het hele gezin lijdt mee zoals
Idas broer Piet later aan zijn dochter Heleen vertelt. Als bijvoorbeeld pater Frehe
in de pastorie zich gereed maakt om de familie Peerdeman te gaan bezoeken, begint Ida op
hetzelfde moment te vloeken en te tieren. Ze beschikt plotseling over zulke grote
lichamelijke krachten dat ze een zware stoel tot boven haar hoofd kan tillen. Haar stem is
totaal veranderd. Iets dergelijks kennen wij uit het leven van de zalige karmelietes
Myriam van Abellin, die soms ook zon bezetenheid moest doormaken voordat zij grote
genaden ontving.
Het gezin is er getuige van hoe de lamp in de woonkamer heen en weer zwaait, de deurbel
plotseling zonder ophouden begint te rinkelen en de zekeringen springen. Wanneer deuren en
kasten vanzelf openvliegen, kan het gebeuren dat vader Peerdeman met Humor opmerkt:
Kom maar allemaal binnen. Hoe meer zielen, hoe meer vreugd. Pater Frehe had
hem aangeraden om zo weinig mogelijk aandacht te schenken aan de demonische kwelgeesten.
Vaders onverschrokkenheid is een grote steun voor alle gezinsleden. Naar zijn voorbeeld,
hechten ze zo weinig mogelijk belang aan de buitengewone voorvallen. En wanneer ze het
bijzonder zwaar te verduren hebben, spreken ze elkaar moed in met een veelbetekenend:
Kom op jongens, lachen! Want als wij niet lachen, doen de duiveltjes het, en dat
plezier gunnen we ze niet! Maar als de arme Ida op een keer een onzichtbare hand om
haar hals voelt die haar probeert te wurgen en de aanvallen steeds heviger worden, ziet
pater Frehe in dat hij een exorcisme over haar moet uitspreken. Daarbij horen de
gezinsleden een satanische stem, die door Idas mond de priester hatelijk beschimpt.
Ook op andere manieren ervaart pater Frehe de woede van de demonen.
Zo worden beiden Ida en haar leidsman twintig jaar lang geestelijk
voorbereid op het grootse gebeuren dat eens voor de hele wereld van belang zal zijn: de
komst van de Moeder en Vrouwe van alle Volkeren.
terug naar boven
|