databank van bedevaartplaatsen wereldwijd

 

OLV.gif (13175 bytes)

 

 

 

OLV.gif (13175 bytes)

 

 

 

OLV.gif (13175 bytes)

 

 

 

 

 

 

 

 

IdaKind.jpg (6986 bytes)

Ida's Jeugd

Op 13 augustus 1905 wordt Ida Peerdeman als jongste van vijf kinderen geboren te Alkmaar in Noord-Holland. Er is een mooie anekdote over. Het geval wil namelijk dat de oudste zus Gesina op dezelfde dag haar verjaardag viert. Omdat zij al lang een nieuwe pop wil hebben, neemt vader haar mee naar de slaapkamer waar moeder met de pasgeboren Ida ligt. Als Gesina echter begrijpt wat er aan de hand is, begint zij te stampvoeten en roept beledigd: “Zo’n pop wil ik niet! Ik wil een echte pop!”

Bij haar doopsel in de parochiekerk van St. Jozef krijgt het kindje de namen Isje Johanna, maar zij wordt altijd Ida genoemd.

Kort voor de eerste wereldoorlog verhuist de familie Peerdeman naar Amsterdam. Ida is pas acht jaar wanneer haar moeder op 35-jarige leeftijd in het kraambed sterft, samen met de pasgeboren baby. Iedereen is zwaar getroffen door dit verlies en Gesina, de oudste zus, moet haar wens om verpleegster te worden opgeven. Zelf pas 16 jaar, doet zij haar best om voor haar drie zusjes en broertje Piet een goede moeder te zijn. Omdat vader als textielkoopman vaak door heel Nederland op reis is, probeert zij het gezin bijeen te houden. Ida is vooral graag samen met haar broertje Piet, die haar begrijpt, met haar praat en haar troost, wanneer zij verdrietig is. Als katholiek gezin gaan ze zondags naar de kerk en voor het eten wordt er gebeden, maar dat is ook alles.

Als kind gaat Ida elk weekend in een dominicaner kerk biechten bij pater Frehe, die later haar leidsman zal worden. Zo verstrijken de jaren, totdat er op een zaterdagmiddag in oktober 1917, de rozenkransmaand, wanneer ze de gebruikelijke weg naar huis gaat, iets wonderbaarlijks gebeurt.

De eerste ontmoeting


Op 12-jarige leeftijd wordt Ida getuige van een hemelse verschijning. Aan het eind van de straat ziet ze een overweldigend licht en daarin een stralende vrouw, die eruit ziet als een wondermooie Joodse vrouw. Het kind herkent haar ogenblikkelijk als Maria. Met enigszins gespreide armen en een lieftallig en vriendelijke blik, staat zij in het glanzende licht, zonder een woord te zeggen. Nog nooit in haar leven heeft Ida zoiets moois gezien. Als de vrouw vriendelijk gebaart, rent het meisje snel naar huis.

Begrijpelijkerwijze geeft vader haar de raad om er niet over te praten en alles maar snel te vergeten. “Vertel het in vredesnaam aan niemand. De mensen zouden denken dat je gek bent en je belachelijk maken. Dat is wel het laatste wat we kunnen gebruiken!” Daarom spreekt Ida er niet over hoewel zij nogmaals hetzelfde beleeft op de twee volgende zaterdagen. De mooie vrouw verschijnt weer in het licht van de zon, glimlachend en zonder iets te zeggen, zoals de eerste keer, als Ida na de biecht op weg is naar huis.

Dit alles speelt zich af in oktober 1917, de maand waarin Maria in Fatima voor de laatste keer aan de drie herderskindertjes verschijnt. Natuurlijk weet Ida daarvan niets. Pater Frehe, Ida’s vertrouweling en raadgever van de familie Peerdeman, heeft wel van de buitengewone gebeurtenissen vernomen. Maar ook hij geeft haar de dringende raad om alles voor zich te houden en er maar niet meer over na te denken. En zo blijft de eerste voorbereiding van Ida op haar latere Mariaverschijningen geheel verborgen.

33 jaar later – bij de 25e verschijning – vraagt Ida bezorgd aan de Vrouwe: “Zullen ze mij geloven?” Dan herinnert Maria haar zelf aan de drie verschijningen van 1917 wanneer zij antwoordt: “Ja. Daarom ben ik vroeger reeds tot je gekomen toen gij het niet begreep. Dat was toen ook niet nodig. Dat is het bewijs geweest voor nu” (10 december 1950). Dat betekent: deze verschijning is geen misleiding maar is werkelijk Maria, net zoals destijds.


U HEBT TE WEINIG FANTASIE

Na de mulo wilde Ida graag verder leren om kleuterleidster te worden. Maar na een praktijkles wordt ze naar huis gestuurd met de mededeling: “Helaas bent u er niet voor geschikt. U heeft te weinig fantasie en voorstellingsvermogen.”

Niemand kan dan nog vermoeden hoe belangrijk deze constatering eenmaal in het leven van de zieneres zal zijn, namelijk wanneer ze er van wordt beschuldigd dat de verschijningen slechts de inbeelding zijn van haar levendige fantasie.

Jaren later blijkt uit een psychologisch onderzoek dat is ingesteld op verzoek van de bisschop, dat zij volledig normaal is. Ida heeft geen beeldend voorstellingsvermogen, maar is veeleer nuchter en fantasieloos.