Overasselt

(Gelderland)

Koortsboom

In de 7e-8e eeuw na Christus leefde een roversbende in de moerassen van de Maas en ten zuiden van Nijmegen. Men denkt dat zij zich Hoemannen noemden en dat het plaatsje Heumen hier vandaan komt. Zij verschalkten zich op een zeer strategische plaats met aan de ene zijde een ontoegankelijk moeras en aan de andere zijde een oude Romeinse weg van Nijmegen naar Maastricht. Ook de oude wegen van Nijmegen naar Grave en van Wijchen verder naar het oosten lagen binnen hun roversbereik. Onbeschermde reizende handelaren vielen keer op keer in handen van deze bende.

Zo werd ook op een herfstavond een groep overvallen echter zonder handelswaar of wapens. Iedereen vluchtte behalve de leider, een voorname figuur. Hij werd als een soort van curiositeit meegenomen naar de bendeleider Walrick. Beide mannen zien in elkaar geduchte tegenstanders. Willibrordus, de gevangene, vertelt over een nieuwe godsdienst, een nieuwe maatschappijleer van God en juist op dat moment komt een heidense priesteres binnen met de mededeling dat het dochtertje van Walrick ernstig ziek is. Zij lijdt aan zware koortsen. De moerassen, het veilige toevluchtsoord van de rovers, eisen een zware tol aan malaria. Het kind zal de avond waarschijnlijk niet meer halen.
Walrick geeft zijn predikende gast de kans zijn goedheid waar te maken. Hij moet zijn dochtertje genezen of ook hij haalt de avond niet. Hij zal of een wonderbaarlijke genezer blijken of een bedrieger.

Die avond was voor het ruige roversvolk onvergetelijk. Er gebeurden vreemde dingen, het kind speelde al snel weer en iedereen moest zich laten dopen en onderrichten in de nieuwe leer. Wie weigerde zou dit niet overleven.

Walrick zelf vertrekt vervolgens voor lange tijd en komt pas na tien jaar terug. Hij is als boeteling naar Rome geweest zo blijkt en is daar naar jaren gewijd. Hij komt terug als pastoor van deze ietwat ruige parochie. Hij brengt beschaving in de zin van landbouw en veeteelt en bouwt een kerk midden tussen de vennen.

Dertig jaar is Walrick pastoor en zijn bendeleden worden hardwerkende dorpelingen van een boerendorp. Vlak voor zijn dood vragen zijn volgelingen, die hij altijd wist te genezen van de koortsen. “ Wat moeten we als u er straks niet meer bent?”. Waarop Walrick sprak: “Plant op mijn graf een eik en bidt daar voor de bekering van de heidenen en genezing van de zieken.”

Ooggetuigen weten nog dat er processies vanuit Wijchen naar deze boom werden gehouden. Men ging naar de ruïne van de Walrickkapel om te bidden voor de genezing van de zieken. Wie eenmaal genezen was liet een lint gedragen goed achter in de koortsboom.

De oude eik staat tegenwoordig veel te dicht op het gerestaureerde bouwwerk en zal vroeg of laat moeten verdwijnen. Een nieuwe jonge eik is verderop al gepland en kan tegen die tijd de functie van de oude koortsboom overnemen Volgens bronnen is er nogaltijd verzet tegen het verplaatsen van deze Heilige Boom.

De koortsboom is te vinden:

Ruïne van de St. Walrickkapel
St. Walrickweg 7
6611 KG OVERASSELT

 

Bron gelders goed

Sluit dit venster