|
|
|
MISSIONARIS in de NEGENTIENDE
EEUW
Het is niet duidelijk wanneer Damiaan er aan begon te denken ‘missionaris’ te
worden. Zeker is wel dat Damiaan in het begin van zijn vormingsjaren er niet,
althans niet expliciet, mee bezig was. Later, wanneer Damiaan weer eens
probeerde om zijn broer Pamfiel naar Hawaii te halen schreef hij: “Waar blijf je
toch, jij die me eertijds hebt verweten dat ik niet genoeg missionaire ijver
bezat…”Hoe die klik, die ommekeer er is gekomen, weten we niet. Wel blijkt dat
Damiaan op een zekere dag een grote devotie tot de grote missionaris, de heilige
Franciscus Xaverius, begon te vertonen. Natuurlijk heeft hij ook de verhalen
gehoord over missionarissen die werkzaam waren in de Stille Oceaan. Bovendien
begon broer Pamfiel, vlak voor zijn priesterwijding, zich al in te leven in het
idee dat hij misschien wel een opdracht zou krijgen om zich klaar te maken om
naar de missiegebieden af te reizen. Pamfiel werd priester gewijd en
inderdaad aangewezen om samen met een viertal andere confraters naar Hawaii te
vertrekken. Pamfiel werd ziek, Damiaan, nog student, schreef naar de Overste om
toestemming te vragen om in de plaats van zijn broer te mogen vertrekken. Zijn
argument: “Er is al betaald voor de passage van Pamfiel, verspild geld tenzij ik
zijn plaats mag innemen.” Damiaan kreeg de zo begeerde toestemming. Damiaan,
altijd enigszins ongeduldig, zette er de vaart in. Snel naar Tremelo om afscheid
te nemen van zijn familie en via een omweg naar Scherpenheuvel, wilde hij zo
snel als maar kon beginnen met de voorbereiding op de reis naar het onbekende
Hawaii. Dat hij helemaal niet voorbereid was op de ontmoeting met een vreemde
cultuur, leek hem niet te deren. Vol jeugdige overmoed wilde hij zich gaan
inzetten voor het Koninkrijk van God; dat was toch de wil van God, zijn
bestemming.Zo vertrok Damiaan, helemaal overtuigd dat er buiten de Katholieke
Kerk geen redding was, overtuigd van de meerwaarde die hij als ‘beschaafd’
Europeaan aan de wilden van het verre Polynesië te bieden had. Hij ging om
zielen te redden; wat protestanten en heidenen voorstelden daarvan had hij op
dat ogenblik geen duidelijk besef, alleen dat ze moesten gered worden… de
klassieke instelling van de negentiende-eeuwse aspirant-missionaris. Damiaan is
helemaal niet naar Hawaii gereisd om te gaan werken bij de melaatsen.Eens in
Hawaii werd Damiaans opleiding op een drafje afgewerkt en daar was hij dan als
vierentwintigjarige: priester van God.
Zonder veel plichtplegingen
belandde Damiaan op zijn eerste missiepost: het district Puna op het grote
eiland Hawaii. Met zijn vlug bij elkaar gescharrelde kennis van het Hawaiiaans
en vol enthousiasme, is Damiaan van start gegaan. Het was allemaal zo nieuw, het
land zo indrukwekkend, het klimaat zo aangenaam, de mensen zo vriendelijk, de
moeilijke tochten naar afgelegen nederzettingen. Damiaan boekte succes, mensen
lieten zich dopen. De Calvinisten waren er niet blij mee, de heidense
medicijnmannen, waren er evenmin blij mee. Nauwelijks was Damiaan een beetje
thuis in zijn district toen bleek dat zijn confrater Clement Evrard het moeilijk
had in zijn veel grotere district. Hij bood aan om Kohala-Hamakua over te nemen
zodat pater Clement het wat makkelijker zou krijgen in Puna. Damiaan, begint dus
opnieuw: mensen opzoeken, vertrouwen winnen, doopleerlingen catechese geven,
rondreizen om de Eucharistie te vieren, vorming te geven, biecht te horen…
gewoon missionaris zijn volgens het boekje.Damiaan een progressief missionaris
noemen, heeft niets te maken met zijn geloofsbeleving, zijn liturgische
praktijken, zijn geloof in de werkdadigheid van de sacramenten. Damiaans
progressiviteit, al is dat een zwaar beladen woord, heeft veel meer te maken met
de realiteit van de missionering, met de omstandigheden die zich aandienden,
soms met morele kwesties die om een oplossing vroegen en waarop hij, bij gebrek
aan periti die hij kon raadplegen, een bevredigend antwoord diende te vinden.
Damiaan werd getest: hij die nooit alleen was geweest, die in de jaren van zijn
vorming altijd beroep had kunnen doen op een biechtvader, op een vertrouwd
raadsman, ondervond wat het betekende alleen te staan in een vreemd land. Hij
moest de teleurstelling verwerken dat zijn bekeerlingen niet zo standvastig
waren, het was niet prettig te zien hoe de Calvinisten over méér middelen konden
beschikken om scholen op te richten… en die ook hun vijandigheid niet
wegstopten.Naarmate de jaren vorderden kwam Damiaan terecht in een
routinepatroon, zocht hij soelaas in het bouwen van kapellen én ook in het
teruggrijpen naar bezigheden uit zijn jeugd in het zo verre Ninde: een tuintje
aanleggen, aardappelen poten, wat vee houden, … alsof hij daarmee het schaarse
nieuws van thuis kon aanvullen. Dan komt de confrontatie met de lepra: steeds
meer mensen worden weggevoerd naar Kalawao; de verhalen over de toestand daar
zijn vreselijk. Damiaan beseft dat hij te druk is met materiële beslommeringen.
Hij moet meer gaan studeren, bidden, vooral meer de zieken gaan bezoeken.
Damiaans initiatie in het missionaire bestaan was voltooid. Hij was klaar voor
een nieuwe uitdaging.Uitgenodigd om aanwezig te zijn bij de inzegening van de
nieuwe kerk in Wailuku op het eiland Maui, vertrok Damiaan. Zoals hijzelf het
beschreef vertrok hij met het besef dat hij niet naar zijn missie in Kohala zou
terugkeren…Toen bisschop Maigret vrijwilligers vroeg om de zielzorg van de
leprapatiënten in de Kalawao-nederzetting op zich te nemen, heeft Damiaan zich
als één van de vier kandidaten aangeboden. De bisschop heeft Damiaan op 10 mei
1873 vergezeld naar Kalawao. Damiaan kreeg de raad de nodige afstandelijkheid
tegenover de zieken in acht te nemen… en te wachten op de vervanger die zou
komen als zijn beurt erop zat; drie maanden, dat moest te harden zijn. Al vlug
besefte Damiaan dat hij met ‘afstandelijkheid’ niets bereikte, dat een
voorlopige aanwezigheid niet de oplossing was. Damiaan, overtuigd dat Kalawao
‘zijn’ plaats, zijn missionaire opdracht was, vroeg hij de bisschop om er te
mogen blijven. De Hawaiiaanse bladen hadden met groot enthousiasme gereageerd op
het feit ‘Damiaan’ die als de ware held van christelijke naastenliefde naar
Kalawao was gegaan en bisschop Maigret kon haast niet anders dan Damiaan zijn
zin geven. Daar is hij de Damiaan geworden van “wij melaatsen”. Het is niet zo
belangrijk te weten wanneer precies Damiaan begon met het gebruik van die
aanspreektitel. Damiaans ware progressiviteit wordt gebald uitgedrukt door die
uitdrukking die spreekt van totale inzet voor en solidariteit met de uitgestoten
en verkommerende melaatsen. Zijn leven en werk waren volledig gewijd aan zijn ‘parochianen’;
of ze nu katholiek waren of niet, hij was bereid iedereen te helpen. Hulp bieden
gebeurt niet alleen met vrome woorden, die woorden moeten bevestigd worden door
een concrete houding tegenover de zieke medemens, niet van op afstand, maar door
nabijheid, en bevestigd met materiële bijstand waar die vereist is en mogelijk.
Damiaan beschouwde de melaatsen als mensen, niet als ‘gevallen’, veroordeeld
omdat ze ziek waren. Hij streefde er naar om hen te bemoedigen, ze weer hoop te
geven, hun levensomstandigheden te verbeteren, ontspanning te bezorgen, hen bij
te staan in de moeilijke momenten… Bij dit alles bleef hij bovenal de priester
die met grote overtuiging de troost van het geloof aanbood, de sacramenten
toediende, de kerkelijke diensten verzorgde en de grote feestdagen met veel
luister vierde.Damiaans werk op Kalawao lijkt zo op een groot succesverhaal,
maar dat is het echt niet altijd geweest. Damiaan heeft beslist zijn deel van de
ellende over zich heen gekregen. Conflicten met de bewindslieden in Honolulu,
met zijn religieuze overheid, met sommige confraters, met de groep van de
geïnterneerden die de uitgestoken hand bleef weigeren. Toch waren succes,
wereldwijd verspreid in de, vooral buitenlandse, pers en een toenemende
liefdadigheid ook zijn deel; alhoewel daaraan ook schaduwzijden verbonden waren:
afgunst, verdachtmakingen, beschuldigingen. Wanneer Damiaan precies door de
melaatsheid werd besmet is niet helemaal te achterhalen. Wel ontstond er reeds
vroeg na zijn komst in Kalawao een soort hetze, gevoed door berichten dat
Damiaan en Burgerman melaats waren; berichten die door sommige confraters
ijverig werden gemeld aan de Generale Overste. Voor Damiaan uiteraard niet zo’n
prettige ervaring, hoewel hij er natuurlijk wel van bewust was dat het risico
van besmetting zeer reëel was.Hoe Damiaan overeind kon blijven temidden van
zoveel aftakeling en dood, van de uitzichtloosheid en van al het leed dat hij
niet kon verhelpen, mag een wonder genoemd worden. Maar zijn geloof hield hem
staande, zijn vertrouwen in troostvolle nabijheid van de Heer, altijd aanwezig
in het Allerheiligste sacrament was de krachtbron die hem voedde, hem bevrijdde
van zijn gewetensnood in die lange perioden zonder biecht, als het besef dat hij
er alleen voor stond hem drukte.Dan komt het officiële verdict (1884) ‘Damiaan
is melaats’. Waarschijnlijk heeft Damiaan al een tijd daarvoor gemerkt dat er
wat mis was… wanneer precies weet geen mens. Maar met de vaststelling van
besmetting krijgt Damiaan ongewild het statuut van ‘de’ strijder die het
ongelijke gevecht met die vreselijke en niet te helen, ziekte heeft aangevat.
Veel sympathie en veel materiële hulp worden hem aangereikt, maar ook de afgunst
om al die aandacht die naar hem toegaat… en erger nog de verdoken en niet zo
verdoken beschuldigingen van ongeoorloofd seksueel verkeer. Vooral omdat men
toen nog de opvatting aanhing dat de besmetting met lepra werd overgedragen door
seksuele omgang. Damiaan werd daardoor diep gekwetst. Tegen geruchten bestaat
geen verdediging. Geruchten gaan een eigen leven lijden. Zelfs wanneer Damiaan
met de dood voor de ogen nog maar eens bevestigt ‘dat hij nooit seksuele
betrekkingen heeft gehad met vrouwen of mannen…’, dan volstaat zelfs dit niet om
de geruchten tot zwijgen te brengen; ze duiken steeds weer op, ook vandaag
nog.Er wordt ook wel beweerd dat Damiaan de melaatsheid bewust heeft gezocht.
Damiaan heeft het gevaar niet geschuwd, maar dit betekent nog helemaal niet dat
hij het doelbewust heeft gezocht. Wel is duidelijk dat hij de ziekte heeft
aanvaard vanuit zijn verrijzenisgeloof: “De goddelijke Voorzienigheid heeft me
enige tijd geleden uitgekozen tot slachtoffer van deze vreselijke ziekte. Ik
hoop God eeuwig dankbaar te blijven voor deze gunst. Het lijkt me dat deze kwaal
mijn tocht naar het hemelse vaderland, zal verkorten en vergemakkelijken” [Brief
9 november 1887]. Dat is wat Damiaan schrijft, drie jaar ná het definitieve
verdict [1884]. Hij heeft tijd gekregen om zich te verzoenen met de harde
feitelijkheid, zijn gelovige ingesteldheid heeft hem geholpen tot aanvaarding te
komen. Damiaan had zo graag gezien dat zijn melaatsen zouden genezen, weg zouden
kunnen van Kalawao en terugkeren tot hun familie en vrienden… En Damiaan heeft
telkens weer hoop gehad als hij vernam dat een of ander middel genezing beloofde.
Hij heeft er verschillende geprobeerd, ook op zichzelf. Maar vooral bleef hij
doen wat hij altijd al had gedaan: priester zijn voor zijn mensen, helpen waar
het kon, zijn kerk herstellen als ze weer eens beschadigd werd door de storm,
voor de weeskinderen zorgen… voor Damiaan zo gewoon, zo normaal allemaal.
Helemaal “wij melaatsen”.Tot zijn lichaam opgebruikt was en hij het bed moest
houden.
Lees verder op paginaIII
terug naar boven
|
|
|