|
Niet alleen mensen weten zich aangesproken.
Franciscus gaat de weg door het dal van Spoleto. Hij ziet op een veld een zwerm vogels.
Duiven, kraaien, kauwen.
Hij laat zijn metgezellen achter en loopt op de vogels af. Ze vliegen niet weg, ze wachten hem op.
‘De vrede des Heren zij met u. Willen jullie zijn woord ook horen?’
Hij spreekt hen toe. En hij eindigt zijn woorden met: ‘Vogels, mijn broeders, bezing je Schepper.
Houdt Hem hoog die je kleedt met veren en vleugels geeft.
Hij heeft jullie hoog verheven en Hij doet je leven in de zuivere lucht.
Je hoeft niet te zaaien, je hoeft te maaien. God zorgt voor je en weet wat je nodig hebt.’
De duiven, de kraaien, de kauwen; van plezier rekken ze hun hals of ze klapwieken
en trekken hun snavel open.
Met hun ogen vol vreugde volgen ze Franciscus. Die loopt door de schare heen
en hij strijkt met zijn pij langs kopjes en lijfjes.
Dan maakt hij het kruisteken:
God zegene jullie, goede vlucht.
Had ik me niet veel eerder tot de vogels moeten richten?
Zoals die luisterden naar het woord van God!
En vanaf die dag roept hij alle levende wezens op God te loven:
de dieren waar het water van wemelt, de gevleugelde dieren in de lucht, alles wat kruipt en loopt op het land.
En steeds wanneer hij bidt tot zijn Verlosser, merkt Franciscus dat heel de schepping luistert
|