|
Nog zit Franciscus hoog te paard. Hij rijdt in de buurt van Assisi.
Wat tob je toch, wat ben je op zoek. Je hebt toch alles wat je hartje
begeert? Een huis, een goedlopend familiebedrijf, vrienden in alle maten en soorten.
Waarom dat onvervulde verlangen? Waarom niet gewoon genieten?
Een melaatse kruist zijn weg. Hij wil niet zien, hij walgt ervan.
Hij wil zich afwenden en verder rijden. Maar had hij niet een stem gehoord,
toen hij in gebed verzonken was, ‘Als je mij zoekt, als je mij wilt vinden,
laat alles los waaraan je gehecht bent. Alles wat je zoet vond, zal je bitter
smaken.’ En wilde hij niet helpen wie God op zijn weg stuurde.
Hij kijkt de melaatse man aan. Hij moet zich geweld aandoen
en stapt van zijn paard. De man strekt zijn hand uit voor een aalmoes.
Franciscus wil deze mens omarmen, maar kust zijn hand en geeft hem geld.
Franciscus springt op zijn paard, wil wegrijden en kijkt nog even om.
Geen mens te zien.
Enkele dagen later gaat hij met het nodige geld naar het lepro
zenverblijf.
Hij geeft daar een ieder een aalmoes, een handkus, vrede en alle goeds.
‘Toen ik vroeger leefde in overvloed en die melaatsen van verre zag,
was het mij bitter hen te zien. Nu ik onder hen ben geweest,
bleek het bittere zoet voor mijn lichaam en ziel.’
|