A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V X Y Z

 

S

SACRAMENTALIEN  Latijn: Sacramentalia, dat wat tot wijding strekt: door de kerk ingesteld wijdingen of zegeningen van personen of zaken. 
SACRAMENTELE GENADE  De specifieke zegening, genade, die elk sacrament geeft. 
SACRAMENTEN  Tekenen van bijzondere genade, door Christus ingesteld en door de kerk nader vastgesteld in de vorm van zeven rituele handelingen elk met begeleidende taal, waardoor een specifieke zegening, wijding of genade wordt gegeven. De zeven sacramenten zijn: doopsel, vormsel, biecht, eucharistie, priesterschap, huwelijk en heilig oliesel, 
SACRAMENTSALTAAR  Hoofd- of zijaltaar met tabernakel waar de geconsacreerde hosties bewaard worden.
SACRAMENTSDAG  Door paus Urbanus in 1264 ingesteld feestdag van het heilig sacrament op de tweede donderdag na Pinksteren omdat het boetekarakter van Witte Donderdag het feestelijk herdenken van het Laatste Avondmaal en de instelling van de eucharistie in de weg stond.
SACRAMENTSPROCESSIE  Processie waarin het heilig sacrament wordt meegedragen. 
SACRARIUM  Latijn: heilige ruimte
SACRISTIE  Kleed- en bewaarruimte bij een kerk
SALVAM FAC REGINAM NOSTRAM  Latijn: Behoed onze koningin: gebed dat na een plechtige mis werd gezongen voor het heil van het staatshoofd. 
SALVE REGINA  Latijn: Gegroet Koningin: eerste woorden van de langste Maria-antifoon (lofzang) uit de vespers
SANCTUARIUM Latijn: heiligdom: 
(1) priesterkoor in kerk; 
(2) bewaarplaats van reliek(en); 
(3) het hele kerkgebouw.
SANCTUS  Latijn: Heilig: driemaal herhaalde beginwoorden van gezang of gebed bij het begin van de canon, het tafelgebed.
SCHAPULIER  (Of Scapulier) van Latijn: scapulae, schouders: (1) door sommige kloosterordes op borst en rug tot aan de voeten neerhangende lap stof, over het habijt heen gedragen; (2) in navolging daarvan uit devotie door leken gedragen lapjes stof, verbonden door een lint; (3) ter vervanging daarvan: de (schapulier)medaille, aan een kettinkje om de hals gedragen. 
SCHIETGEBED  Kort gebed uit devotie, in nood, of ter bevestiging van het geloof. (b.v. Geloofd zij Jezus Christus; O God, Help mij, enz.) 
SCHISMA  Grieks: scheur, onenigheid: het zich - met behoud van de geloofsleer - onttrekken aan het gezag van de paus van Rome. Een voorbeeld is het Oosters Schisma van Photius (876), zo ook het Westers Schisma (van 1378 tot 1417) en het Anglicaanse Schisma van Hendrik de Achtste in 1553. 
SCHOLASTICAAT  (1) synoniem voor groot- seminarie, in het bijzonder de studieperiode der filosofie en theologie;
(2) algemene naam voor de studieperiode vóór de priesterwijding in sommige ordes en congregaties.
SCHOLASTIEK  Latijn: scholasticus, geleerde: 
(1) verzamelnaam voor het in de middeleeuwen ontwikkelde filosofische en theologische stelsel, vooral op basis van Aristoteles en te onderscheiden in een augustijnse, franciscaanse en dominicaanse richting; de laatste - met als voornaamste auteur Thomas van Aquino - beleefde een opbloei in de negentiende eeuw; 
(2) studerende kloosterling die nog niet tot priester is gewijd.
SCHRIFTUUR  De bijbel of heilige schrift
SCHUILKERK  Ook schuurkerk: geheime plaats voor de eredienst om aan de vervolging van de overheid te ontkomen. 
SCHULDBELIJDENIS  Het bekennen van de zonden als onderdeel van de biecht
SECRETA  Latijn: geheimen: stil gebed in de mis voorafgaand aan de canon. 
SECULIER  Latijn: saecularis, werelds: aanduiding van priester die geen lid is van een orde of congregatie, een zogenaamde wereldheer. 
SEDE VACANTE  Latijn: terwijl de zetel onbezet is: periode waarin de zetel van paus of bisschop vacant is.
SEDIA GESTATORIA  Latijn: draagstoel: namelijk van de paus, waarin hij de Sint Pieter wordt binnengedragen
SEDILIA  Latijn: zetels: brede bank aan de epistelkant (rechts vanuit de kerk) voor de celebranten.
SEPTUAGESIMA Latijn: zeventigste: de eerste zondag van de Paaskring, 70 dagen vóór Pasen (gevolgd door Sexagesima, Quinquagesima en Quadragesima).
SEPTUAGINT(A) Latijn: zeventig: de, volgens de traditie, door 70 joodse geleerden te Alexandrië gemaakte vertaling van het oude testament uit het Hebreeuws naar het Grieks.
SEQUENTIA  Latijn: vervolgen: hymnen in dichtvorm gebeden of gezongen tussen de lezingen van het epistel en het evangelie, zoals Victimae Paschales (Paastijd), Veni Sancte Spiritus (Pinkstertijd), Lauda Sion (Sacramentsdag), Stabat Mater (feest der zeven smarten van Maria), en Dies Irae (rouwdienst). 
SERAFIJNEN  Zie: engelen.  de Heilige Franciscus van Assisi werd bezocht door een serafijn
SERVUS SERVORUM Latijn: dienaar der dienaren (Gods): kenschetsing van de paus door Augustinus. Gregorius de Grote was de eerste paus die deze titel in het jaar 600 op zichzelf toepaste. 
SEXAGESIMA Latijn: zestigste: zondag de zestigste dag vóór Pasen, tussen Septuagesima en Quinquagesima.
SEXT SIC TRANSIT GLORIA MUNDI  Latijn: zo vergaat wereldse roem: spreuk, onder andere toegepast op de paus tijdens diens kroning. 
SIGILLUM Latijn: zegel: 
(1) het biechtgeheim; 
(2) zegel op brief of reliek. 
SIMONIE Verboden verkoop van geestelijke goederen (naar de handel van Simon de Tovenaar uit Handelingen 8, 18). 
SINT ANNA-TE-DRIEEN  Afbeelding van de heilige Anna met haar dochter Maria en haar kleinkind Jezus.
SINT-JANSPROCESSIE  Openbare processie buiten de kerk op het feest van Sint Jan de Doper 24 juni, zoals die b.v. te Laren NH jaarlijks gehouden wordt
SLOTKLOOSTER Klooster met clausuur, afdeling verboden voor andere sexe.
SLOTZUSTER Religieuze die zich niet buiten de clausuur mag begeven
SOLIDEO  Latijn: voor God alleen (af te nemen mutsje). 
SOUTANE Lange toog van priester (zwart), bisschop (paars), kardinaal (rood), paus (wit). Ook sommige ordes dragen een wit habijt, zoals de norbertijnen, die daarom ook wel witheren genoemd worden
SPRINGPROCESSIE Boeteprocessie tegen epilepsie, jaarlijks op de derde pinksterdag te Echternach gehouden, waarbij de deelnemers op de maat van de muziek telkens drie stappen vooruit en twee achteruit zetten.
STABAT MATER DOLOROSA Latijn: de moeder stond (onder het kruis): Mariahymne van Jacopone da Todi uit 1306; van hem is ook de minder bekende pendant Stabat Mater Gloriosa (in tegenstelling tot Dolorosa).
STATIE  Latijn: stilstaan, plaats, 
(1) een van de oude kerken te Rome; 
(2) standplaats van een missionaris; 
(3) een der 14 afbeeldingen van een kruisweg.
STICHT  Of Stift: 
(1) klooster; 
(2) gebied plus bewoners onder bisschop of abt.
STIGMATISATIE Het getekend worden met de wonden van Christus bij diep extatische of mystieke ervaring, onder anderen bij Franciscus van Assisi en Catharina van Siëna. 
STIPENDIUM   Aalmoes aan priester voor het opdragen van een heilige mis.
STOLA Of Stool: om de schouders gehangen brede band in liturgische kleur, gedragen bij de eredienst en de toediening van sacramenten.
SUBDIAKEN Geestelijke die de eerste en laagste van de hogere wijdingen heeft ontvangen. 
SUFFRAGAAN  Of Suffragaanbisschop: bisschop die onder gezag van een aartsbisschop zijn ambt uitoefent.
SUISSE  Frans: Zwitserland: ordebewaker in de kerk tijdens de dienst, soms met sjerp, steek, hellebaard of degen; de naam van deze ceremoniële lekenfunctie is ontleend aan de Zwitserse garde van het Vaticaan. 
SUMMA THEOLOGICA Latijnse naam voor een theologisch overzichtswerk door sommige klassieke kerkelijke theologen, met name van Thomas van Aquino. 
SUPERIOR  Officiële titel voor overste van een kloostergemeenschap.
SUPERPLIE Latijn: superpellicum, bovenkleed: wit linnen koorhemd tot aan de knieën met wijde mouwen. 
SUPPEDANEUM  Latijn: voetbodem: verhoging vóór in de kerk, waar het altaar zich bevindt. 
SUSPENSIE  Latijn: suspensio, ophanging, opschorting: straf waardoor kerkelijk bedienaar tijdelijk of blijvend uit zijn ambt wordt ontzet, gesuspendeerd wordt. 
SYLLABUS Lijst van door de kerk veroordeelde stellingen, in 1864 door Pius IX en in 1907 door Pius X uitgevaardigd tegen het Modernisme. 
 SYLVESTERAVOND Synoniem voor oudejaarsavond, genaamd naar paus Sylvester (314-337) wiens feest valt op 31 december.
SYMBOLUM  Aan het Grieks ontleend synoniem voor de geloofsartikelen, het credo
SYNODE Kerkvergadering, als in bisschoppelijke of diocesane synode.
SYNOPTICI  De evangelisten Mattheus, Marcus en Lukas van wie de teksten min of meer parallel naast elkaar gelezen kunnen worden voor een vollediger overzicht, een synopsis. 

 
.terug naar boven

Sluit dit venster