A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V X Y Z

 

R

RATEL  Geluidmaker van hout, liturgisch gebruikt ter vervanging van de altaarschel op Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Paaszaterdag.
RECOLLECTIE  Latijn: recollectio, herdenking: korte periode van bezinning.
RECTOR  Bestuurder en zielzorger van niet-parochiële gemeenschap, b.v. van een kloostercommunauteit of inrichting. 
REFECTORIUM  Latijn: refter: eetzaal in een klooster.
REGINA COELI  Latijn: koningin van de hemel: 
(1) eretitel van Maria; 
(2) gebed driemaal daags ter vervanging van het Angelus in de Paastijd. 
REGULIEREN  Leden van religieuze orde of congregatie.
RELIEK  Of relikwie: Latijn reliquia: overblijfsel: (delen van) het lichaam van een heilige of voorwerpen die daarmee in aanraking zijn geweest, soms gevat of geborgen in kostbare reliekschrijnen, die ter verering kunnen worden uitgestald of ter aanraking met hand of mond worden aangeboden. 
RELIGIEUS  (1) algemene naam voor kloosterling(e);
(2) tot de religie behorend of daarvan getuigend.
REPOSITORIUM  Latijn: bewaarkast, rustplaats: plaats in de monstrans waar de geconsacreerde hostie wordt bewaard. 
REQUIEM AETERNAM DONA EIS DOMINE  Latijn: Heer geef hun (hem/haar) de eeuwige rust: gebed tijdens uitvaartdienst
REQUIESCA(N)T IN PACE  Latijn: moge(n) zij (hij/zij) rusten in vrede: gebed bij de uitvaartdienst of spreuk op graf, afkorting R.I.P
RESPONSORIUM  Latijn: antwoordvers.
RETABEL  Tafel achter het altaar.
RIJMBIJBEL  Bijbel op rijm, vooral populair in de middeleeuwen vóór de boekdrukkunst omdat de tekst zó gemakkelijker te onthouden was; een bekende rijmbijbel is die van Jacob van Maerlant uit 1372. 
RITENSTRIJD  Langdurig meningsverschil tussen de jezuïeten en andere ordes, zoals die der dominicanen en franciscanen in de 17e en 18e eeuw over het al of niet in missiegebieden aanpassen van westerse kerkelijke rituelen aan plaatselijke en landelijke gewoontes. De jezuïeten waren vóór aanpassing maar werden in 1744 door paus Benedictus in het ongelijk gesteld; van toen af moest alles weer op z'n Romeins. 
RITUALE ROMANUM  Boek met rituele teksten bij de toediening der sacramenten.
RITUS  Voorgeschreven wijze van liturgisch handelen
ROCHET  Kort liturgisch koorhemd met nauwe mouwen
ROEPING  Het zich voorbestemd voelen of weten tot een bepaalde levenstaak
ROERENDE FEESTDAGEN  Kerkelijke feestdagen op vaste dag maar wisselende datum, nl. de eerste zondag van de Advent, Aswoensdag, de dagen van de Goede Week, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren en Sacramentsdag.
ROMA LOCUTA CAUSA FINITA  Latijn: als Rome gesproken heeft is de zaak beslist: uitspraak van Augustinus (Sermones 131,10) over het kerkelijk gezag.
ROMA MORA Latijn: Rome betekent uitstel: verzuchting over het soms lang uitblijven van een beslissing vanuit Rome
ROMEINSE CURIE  Zie: curie.
RORATE COELI . Gezang tijdens de Advent
ROTA  Zie: kerkelijke rechtbank. 
ROZENHOEDJE  of Rozenkrans: 
(1) bidsnoer van vijfmaal tien kralen, telkens onderbroken door grote kraal en voorafgegaan door kruisje plus één grote, drie kleine en wederom één grote kraal; 
(2) het gebed zelf, als volgt: aan het kruisje wordt de geloofsbelijdenis gebeden, aan de grote kralen het Onze Vader (met de formule Ere zij de Vader, enz. ), en aan alle kleine kralen het Weesgegroet; het aldus eenmaal rondbidden wordt ook wel rozenhoedje genaamd. 
Het volledige rozenkransgebed omvat het drievoud daarvan. Bij elk tiental kralen wordt een geheim uit het leven van Maria overwogen. Het rozenkransgebed met sterke nadruk op de Mariadevotie dateert uit de l5e eeuw en diende oorspronkelijk in hoofdzaak als plaatsvervanger van het officiële kerkelijk gebed der getijden, dat voor de ongeletterde gelovigen te moeilijk gevonden werd. Met de opkomst van de liturgische beweging in het midden van de 20e eeuw is deze vorm van gebed op de achtergrond geraakt. Het feest van de rozenkrans is op de eerste zondag van oktober. 
RUBRIEKEN  Van Latijn: ruber, rood: de in rood gedrukte toelichtingen op het liturgisch handelen en bidden.

 
.terug naar boven

Sluit dit venster