(Mattheus 5, 1-10; Lukas 6,20-23)

1] Bij het zien van deze menigte ging Hij de berg* op, en toen Hij was gaan zitten, kwamen zijn leerlingen bij Hem. [2] Hij nam het woord en onderrichtte* hen met deze toespraak: [3] ‘Gelukkig die arm van geest* zijn, want hun behoort het koninkrijk der hemelen. [4] Gelukkig die verdriet hebben, want zij zullen getroost worden. [5] Gelukkig die zachtmoedig* zijn, want zij zullen het land erven. [6] Gelukkig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid*, want zij zullen verzadigd worden. [7] Gelukkig die barmhartig zijn, want zij zullen barmhartigheid ondervinden. [8] Gelukkig die zuiver van hart zijn, want zij zullen God zien. [9] Gelukkig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God genoemd worden. [10] Gelukkig die vervolgd worden vanwege de gerechtigheid, want hun behoort het koninkrijk der hemelen. [11] Gelukkig zijn jullie, als ze jullie uitschelden en vervolgen en je van allerlei kwaad betichten vanwege Mij. [12] Wees blij en juich, want in de hemel wacht jullie een rijke beloning. Zo hebben ze immers de profeten vóór jullie vervolgd. [13] Jullie zijn het zout van de aarde. Maar als het zout krachteloos wordt, waar moet je het dan mee zouten? Het deugt alleen nog maar om weggegooid en door de mensen vertrapt te worden. [14] Jullie zijn het licht van de wereld. Een stad kan niet verborgen blijven als ze boven op een berg ligt. [15] Je steekt een lamp niet aan om haar onder de korenmaat te zetten, maar je zet haar op de kandelaar, en dan schijnt ze voor allen in huis. [16] Laat zo jullie licht schijnen voor de mensen, opdat ze jullie goede werken zien en jullie Vader in de hemel verheerlijken.
[17] Samen met hen daalde Hij af naar een vlak terrein. Daar waren zijn leerlingen, in groten getale, en een grote volksmenigte uit heel het Joodse land en Jeruzalem, en uit het kustgebied van Tyrus en Sidon. [18] Ze waren gekomen om Hem te horen en van hun ziekten te worden genezen. Ook zij die geplaagd werden door onreine geesten, werden genezen. [19] En al die mensen probeerden Hem aan te raken, omdat er een kracht van Hem uitging die iedereen genas.
[20] Hij richtte het oog op zijn leerlingen en zei: ‘Gelukkig* de armen, voor jullie is het koninkrijk van God. [21] Gelukkig die nu honger hebben, jullie zullen volop te eten hebben. Gelukkig die nu huilen, jullie zullen lachen. [22] Gelukkig zijn jullie als de mensen je haten, als ze je buitensluiten en beschimpen en je naam door het slijk halen omwille van de Mensenzoon; [23] dans die dag van blijdschap, want, vergeet niet, in de hemel wacht jullie een rijke beloning. Hetzelfde deden hun voorvaders immers met de profeten*.