| A | B | C | D | E | F | G | H | I | J | K | L | M | N | O | P | Q | R | S | T | U | V | X | Y | Z |
B
| BARET | lfuweel hoofddeksel met vier hoeken meestal zwart zie ook bonnet |
| BARNABIETEN | orde
gesticht door de H. Antonius Zacharia (1530) |
| Plaats waar gedoopt wordt: in de oudheid een
aparte ruimte, later deel van de kerk zelf, of als aparte doopkapel. |
|
| BASILISK | slangdraak
:Jesaja 1:8 reptiel dat komt uit een ei dat gelegd is door een haan en
uitgebroed door een pad.(vaak afgebeeld bij de H Ammonius de grote) |
| Grote kerk van bijzondere
bouwstructuur en met bepaalde voorrechten. |
|
| Christelijke gemeenschap als alternatief voor parochie; term die zich afzet tegen de vervreemdende invloed en het verre gezag van de officiële hiërarchische kerk | |
| Lid van een religieuze orde waarvan de leden oorspronkelijk door bedelen in hun onderhoud moesten voorzien, zoals de franciscanen en de capucijnen. | |
| Individuele, maar meestal gezamelijke gebedstocht naar een plaats waar een heilige of een bijzondere gebeurtenis wordt herdacht, bijvoorbeeld de (verschijning van) de heilige Maagd Maria te Lourdes, Fatima of Kevelaer, of de apostel Jacobus in Compostella. | |
| Een zwaar zieke of stervende de laatste sacramenten toedienen, te weten - naast biecht en communie - met name het heilig oliesel oftewel de Ziekenzalving | |
| Vroeger meestal in een hofje samenwonende godvruchtige vrouwen, niet in kloosterverband maar wel met de beloften van kuisheid en gehoorzaamheid aan een overste | |
|
|
| Heiligverklaarde persoon die een bijzonder leven volgens het evangelie heeft geleid. | |
| Formele toezegging, mondeling of op schrift: algemeen gebruikt woord, te onderscheiden van gelofte, term die kerkrechtelijke inhoud heeft. | |
| De eerste zondag na Pasen waarop de viering van het Paasfeest - die acht dagen, dus een octaaf, duurde - wordt afgesloten ( luiken look geloken = sluiten). | |
| BENEDICTIJNEN | orde gesticht door St Benedictus van Nursia ( in 530) Zijn zuster St scholasta stichtte de benedicinessen (kleding volledig zwart, benedictinessen witte ondersluier) |
| Kerkelijk ambt waaraan het recht op materiële voordelen en inkomsten verbonden is | |
| Toespraak van Jezus op een berg bij het meer van Genesareth waarin
Hij de acht zaligsprekingen heeft verkondigd (Mattheus 5, 1-10; Lukas
6,20-23). |
|
| engelbewaarder |
|
| Heilige als bijzondere bescherm(st)er en patroon of patrones van een land (b.v. Willibrord van Nederland, Bonifatius van Duitsland, Jeanne d'Arc van Frankrijk), een stad (b.v. St. Nicolaas van Amsterdam, St. Servaas van Maastricht), een kerk (b.v. de Sint Pieter, de Sint Jan) een beroep (b.v. St. Lukas van kunstschilders) of van een persoon die zijn of haar naam draagt (naamheilige met naamdag, zoals die o.a. in Limburg wordt gevierd). | |
|
|
Het feest van de Besnijdenis des Heren wordt gevierd op de octaafdag van Kerstmis, dus op 1 januari. |
| Latijn: armenbijbel, officiële naam van een middeleeuws prentenboek met platen uit houtsneden voor het aanschouwelijk bijbels onderricht van de armen die niet konden lezen. | |
| Gedachtenisprentje van een overledene met aan de voorzijde een foto of een religieuze afbeelding en aan de achterkant een In Memoriam met persoonsgegevens en eventueel een kort gebed of bijbeltekst. | |
| Sacrament waarin door de priester in Christus' naam zonden vergeven worden uit kracht van de evangelietekst: Ontvangt de Heilige Geest, wier zonden gij zult vergeven hun zijn zij vergeven, wier zonden gij zult houden hun zij ze gehouden (Johannes 20, 23): woorden van Jezus tot de apostelen op de dag van zijn verrijzenis. | |
| BIECHTSTOEL | Plaats
om te biechten in de kerk. Veelal van hout en gesloten. bestaande uit drie
delen. Een voor de biechtvader(priester) en twee voor gelovigen. |
| Overal en altijd te bewaren geheim door de biechtvader, ook bij doodsgevaar voor hemzelf of anderen, waarop zonder uitgesproken toestemming van de biechteling geen enkele uitzondering mogelijk is. | |
| Priester in zijn functie van toediener van het sacrament van de biecht. | |
| Kerkjuridisch vastgesteld gebied van een bisschop. | |
| Als opvolger der apostelen door de paus benoemde priester die onder
diens gezag een bisdom bestuurt en daarbinnen volledige wijdingsmacht
heeft en kerkbestuurlijk recht uitoefent. |
|
|
|
|
|
| Martelaar, heilige die omwille van het geloof gemarteld en ter dood gebracht is. | |
| Het tweemaal per jaar
vloeibaar worden van het in een ampul bewaarde bloed van de heilige
Januarius in de aan hem toegewijde kerk te Napels; in tweede instantie ook
hetzelfde verschijnsel elders, b.v. te Boxmeer. |
|
| De zeven door de kerk gekozen psalmen als liturgische gebeden op dagen van boete en rouw, nl. Ps. 6, 31, 37, 50, l0l, 120, 142. | |
| Vierkant liturgisch
hoofddeksel in zwart voor priester en priesterstudent, paars voor hoge
prelaten en bisschoppen, rood voor kardinalen , wit voor de paus en voor
norbertijnen (die ook wel witheren genoemd worden). |
|
| BREVARIUM | zie brevier |
| Volledig officieel liturgisch gebedenboek in het Latijn (ook wel vertaald), in vier delen, voor elk jaargetijde één; het bidden ervan door de priester wordt brevieren genoemd. | |
| Een niet tot priester gewijd religieus die in een orde of congregatie de geloften van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid heeft afgelegd. | |
| Pauselijk schrijven van belangrijk geachte inhoud, door hem zelf ondertekend en van zijn zegel voorzien. | |
|
Latijn: beurs, foudraal in liturgische kleur waarin de opgevouwen
linnen doek wordt bewaard, waarop tijdens de eucharistieviering
hostie, kelk en ciborie worden geplaatst. |